Jesus Christus

Fu Wikipedia
(Seni komopo fu Jesus)
Go na: fenipresi, suku
Jesus Christus

De traditioneel-christelijke benadering behandelt Jesus (Jesjoea in het Hebreeuws) zoals hij in de (orthodox-christelijke) traditie van het christendom wordt opgevat, namelijk dat hij de ‘gezalfde’ van God is en zelf ook (onderdeel van) God is (de leer van de goddelijke drie-eenheid). In de traditioneel-christelijke benadering wordt Jesus daarom aangeduid als Jesus Christus; soms ook als Jesus de Messias.

  • Jezus komt via het Latijnse Jesus van het Griekse Ιησους (Jesoes), hetgeen een verbastering is van het Hebreeuwse ישוע (‘Jesjoea’), wat betekent „JHWH is redding” of „JHWH redt”.
  • Christus Traditioneel spreken rooms-katholieken en hervormden het woord Christus meestal uit als Kristus, terwijl gereformeerden meestal de op etymologische gronden juistere uitspraak gebruiken waarbij de chr wordt uitgesproken zoals in b.v. chroom. In evangelische kringen komen beide uitspraken voor, hoewel de hervormde-roomskatholieke versie er wel het meest gebruikelijk lijkt te zijn. Anderen lijken zich overwegend bij de roomskatholieke en hervormde uitspraaktraditie aan te sluiten. komt via het Latijn van het Griekse Χριστός (‘Christos’), hetgeen ‘gezalfde’ betekent.
  • Messias komt via het Latijn van het Griekse Μεσσιας (‘Messias’), hetgeen een verbastering is van het Hebreeuwse משיח (‘masjiach’), wat eveneens ‘gezalfde’ betekent.

Het (orthodoxe) christendom beschouwt Jesus als de Zoon van God.

Christelijke visie[kenki | brontekst bewerken]

Volgens de christelijke leer is Jesus de eniggeboren Zoon van God en de door God, in het Oude Testament (Tenach) bij monde van de profeten, beloofde messias, (o.a. Jesaja 53:3 en verder), de gezalfde van God, die de mensen verlost van hun zonden en de harmonie tussen God en mensen herstelt die verbroken was als gevolg van de zondeval van de eerste mensen in het paradijs. Hij beloofde de mensen die geloven dat hij het plaatsvervangend zoenoffer voor God is en daarmee de straf op zich nemend voor de zonden van de mensheid, te 'behouden' en hen 'eeuwig leven' te geven.

Volgens de uitleg die diverse bijbelschrijvers gaven, maakte zijn dood aldus de verzoening met God de Vader mogelijk, doordat hij de straf op zich nam voor de zonden van de mensheid; Jesus is "het Lam van God dat de zonden van de wereld wegneemt." De opvatting dat Jesus met zijn kruisdood de mens verzoent met God, heet de verzoeningsleer. Daardoor trad het abrahamitische principe van de 'rechtvaardiging door geloof' op een nieuwe manier in werking: ieder die in Jesus gelooft, zal voor God de Vader gerechtvaardigd (gerehabiliteerd) zijn.

Zijn in het Nieuwe Testament beschreven geboorte (Kerstmis), zijn dood aan het kruis (Goede Vrijdag), de opwekking uit de dood (Pasen), de Hemelvaart (Hemelvaartsdag), het neerdalen van de Heilige Geest op zijn discipelen (Pinksteren) en de terugkeer (de Wederkomst), staan centraal in de theologie van het traditionele christendom.

De opwekking uit de dood wordt door de meeste gelovigen binnen het traditionele christendom letterlijk genomen. De gebeurtenis neemt daar een cruciale plaats in, omdat het voor hen de uiteindelijke overwinning over de dood als 'laatste vijand' tot uitdrukking brengt. Ook Paulus noemt in zijn eerste brief aan de christenen van Korinthie de letterlijk genomen opstanding van Jezus het centrale punt in het evangelie: het hele christelijke geloof staat of valt met de opstanding. Het is daarmee een zeer belangrijk symbool van de hoop op 'nieuw leven', 'leven na dit leven' en 'eeuwigheid bij God'.

Levensloop van Jesus volgens de Bijbel[kenki | brontekst bewerken]

Om het levensverhaal van Jesus te reconstrueren gebruiken christenen de teksten die gaandeweg deel zijn gaan uitmaken van het Nieuwe Testament uit de Bijbel, en dan vooral de vier evangeliën. Hoewel een aantal verhalen op sommige plaatsen bijna letterlijk overeenkomt, vooral bij Matteüs en Marcus, komt een aantal gebeurtenissen slechts in één of twee van de evangeliën voor. Elk van de vier verslagen heeft een eigen karakter. Dat van Johannes wijkt het sterkst af.

De geboorte van Jesus[kenki | brontekst bewerken]

Volgens de Bijbel werd Jesus geboren opdat hij de mensen zou en zal redden van hun zonden. De evangeliën naar Lucas en Matteüs geven aan dat Jesus in de plaats Bethlehem, gelegen in de streek van Judea, werd geboren uit een maagdelijk meisje genaamd Maria, en dat hij in haar was verwekt door de Heilige Geest van God. Maria was verloofd met de timmerman Jozef, met wie ze toen nog niet was getrouwd. Toen hij hoorde dat ze zwanger was, wilde hij in het geheim de verloving verbreken, om haar niet in opspraak te brengen. Maar 's nachts kreeg hij een droom waarin hem verteld werd wat er gebeurd was en met welk doel, en dat hij Maria bij zich in huis moest nemen. Jozef gehoorzaamde.

Volgens Lucas woonden Jozef en Maria in Nazareth, maar werd Jezus in Bethlehem ('de stad van David') geboren, omdat omstreeks die tijd (6 v. C.) een Romeinse volkstelling werd gehouden. Iedere inwoner van het gebied waar Herodes de Grote (37 - 4 v. C.), de Romeinse vazalkoning, regeerde moest zich laten inschrijven in de oorspronkelijke geboortestad van de vader. Jozef en Maria woonden in de stad Nazaret in de streek Galilea gelegen in het noorden van Israël. Jozef, de verloofde van Maria, was een Judeeër en kwam oorspronkelijk uit Bethlehem. Daarom moesten Jozef, die van koning David afstamde, met Maria, die hoogzwanger was, naar Bethlehem reizen om zich te laten registreren. Ze probeerden daar onderdak te vinden in het overvolle stadje. De herberg was vol. Uiteindelijk werd Jezus geboren in een ruimte waar een voederbak (kribbe is een oude woord hiervoor) stond, wat volgens traditionele interpretaties betekent dat deze ruimte een veestal moet zijn geweest.

Jozef en Maria kregen vervolgens bezoek van plaatselijke herders, die door een menigte engelen van de geboorte van de Messias op de hoogte waren gesteld.

Volgens Matteüs werden zij bezocht door 'wijzen (Nieuwe Bijbelvertaling: 'magiërs', wat juister vertaald is) uit het Oosten', geleerden die een verre reis hadden ondernomen om de door een nieuw ontdekte ster beloofde geboorte van 'een koning' te verifiëren. Het aantal wijzen wordt niet genoemd in de Bijbel, maar het aantal geschenken (goud, wierook en mirre) suggereert dat het er drie zouden zijn geweest. (Matt. 2:1-12)

Herodes I, de koning van het Joodse land, aan wie de wijzen een bezoek ter nadere oriëntatie brachten omdat zij uit de stand van de ster begrepen dat er een koningszoon geboren moest zijn, ontbood een aantal Schriftgeleerden om nauwkeurig na te gaan in welke plaats deze koning kon zijn geboren. De Schriftgeleerden konden op grond van een passage uit het oudtestamentische boek Micha, de geleerden meedelen dat het om Bethlehem ging.[6]

Herodes liet de wijzen beloven hem te vertellen waar deze 'koning' zich precies bevond, wanneer zij hem hadden gevonden. Herodes was namelijk direct beducht voor zijn troon toen hij vernam dat er een mogelijke concurrent was geboren en wilde dit 'gevaar' in de kiem smoren. De wijzen werden echter in een droom gewaarschuwd dat Herodes kwaad in de zin had. Daarom gingen zij, nadat zij Jesus en zijn ouders hadden bezocht, via een omweg terug naar waar zij vandaan waren gekomen. Als 'voorzorgsmaatregel' liet Herodes toen alle kinderen in Bethlehem van twee jaar en jonger vermoorden; deze gebeurtenis staat bekend als 'de kindermoord van Bethlehem'. Maar Jesus ontsnapte aan deze moordpartij, doordat zijn ouders tijdig met hem naar Egypte waren gevlucht, na in een droom te zijn gewaarschuwd. Na de dood van Herodes keerden zij naar Judea - en vervolgens naar Galilea - terug, en vestigden zich in de Galilese plaats Nazareth.

De jeugd van Jesus[kenki | brontekst bewerken]

Over de jeugd van Jesus staat weinig in de Bijbel. Het joodse gezin woonde in het dorp Nazareth in de provincie Galilea. De Bijbel verhaalt dat de jonge Jesus naar joods gebruik op de achtste dag werd besneden en dat zijn ouders hem presenteerden in de Tempel in Jeruzalem op twaalfjarige leeftijd. "Allen nu die hem hoorden, waren verbaasd over zijn verstand en zijn antwoorden." Verder is in het Evangelie volgens Lucas te lezen dat hij opgroeide, krachtig en wijs werd, en dat 'de genade Gods' op hem was. Dezelfde evangelist vertelt dat hij ongeveer dertig jaar was toen hij met zijn openbare optreden begon.

Het openbare optreden van Jesus[kenki | brontekst bewerken]

Het openbare optreden van Jesus (daar zijn de vier evangelisten het over eens) begint met het optreden van Johannes de Doper. Hij verzamelt veel aanhang bij de Jordaan en roept de mensen op tot berouw voor hun zonden en bekering zodat Gods genade en vergeving mogelijk is. Kennelijk horen sommige latere discipelen van Jesus tot de volgelingen van Johannes de Doper (Joh.1:35[7]); ook Jesus laat zich door hem dopen. Bij deze gebeurtenis ontvangt Jesus de Heilige Geest van God, die Johannes de Doper in de gedaante van een duif ziet neerdalen.

Als Johannes de Doper later gevangengenomen en onthoofd wordt door koning Herodes Antipas (zoon van Herodus I), neemt Jesus als het ware de oproep tot bekering over. De evangeliën verhalen over de tijd dat Jesus door Palestina reisde, waarbij hij, om te beginnen in Galilea, predikte in synagogen, huizen en op allerlei plaatsen in de buitenlucht. Hij discussieerde met joodse geleerden en deed een groot aantal wonderen: hij genas mensen van allerlei ziekten, wekte zelfs verschillende doden op; hij liep over het water; hij dreef bij een groot aantal mensen demonen uit en kalmeerde een storm; hij veranderde water in wijn en voedde vijfduizend hongerige toehoorders met vijf broden en twee vissen. Hij dreef geldwisselaars en kooplieden van het tempelplein en ging om met algemeen geminachte mensen, zoals prostituees en 'tollenaars' (belastinginners). Regelmatig zocht hij de eenzaamheid op om te bidden.

Hij reisde niet alleen, want hij koos twaalf mannen uit die zijn 'discipelen' (volgelingen, later als 'apostelen' bestempeld) werden genoemd. De meesten van hen waren vissers uit Galilea, die hem drie jaar vergezelden en die hij onderwees in zijn leer. Drie van hen, Petrus, Johannes en Jakobus, stonden naar het lijkt dichter bij Jezus dan de anderen. Aanwijzing hiervoor is het feit dat deze drie de enige getuigen waren van enkele bijzondere gebeurtenissen. Voorbeeld is een gedaanteverandering van Jesus ('de verheerlijking op de berg'), waarbij Mozes en Elia aan hen verschenen en een stem uit een stralende wolk hen opriep om naar Jesus te luisteren: (Matt.17:5) "Dit is Mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde. Luister naar hem." Eveneens mochten van de twaalf discipelen alleen Petrus, Johannes en Jakobus aanwezig zijn bij de opwekking van het dochtertje van Jaïrus uit de dood. Naast de twaalf discipelen volgde een groot aantal andere mannen en vrouwen Jezus op zijn voettochten door het land. De discipel Judas Iskariot bleef hem echter niet trouw.

Arrestatie van Jesus en kruisdood[kenki | brontekst bewerken]

In Jeruzalem, vlak voor Pesach (joods paasfeest), heeft Judas Iskariot, een van de discipelen, tegen betaling van dertig zilverlingen, Jesus uitgeleverd aan de joodse hogepriesters. De arrestatie vond plaats vlak na het Laatste Avondmaal dat Jesus met zijn discipelen gevierd had en waarbij hij hun voeten had gewassen. Een in hun ogen uitzonderlijke daad van nederigheid.

Jezus werd midden in de nacht gearresteerd in de Hof van Getsemane, een olijfboomgaard vlak buiten de muren van Jeruzalem. Hij werd verhoord door het Sanhedrin, de joodse Raad van oudsten, de overpriesters en Schriftgeleerden, vervolgens door de Romeinse praefectus Pontius Pilatus, Herodes Antipas en opnieuw Pilatus, waarbij hij beschuldigd werd van godslasterlijke uitspraken.

Ten slotte werd hij veroordeeld tot de dood aan een houten kruis, een in die tijd gebruikelijke, maar bijzonder wrede vorm van doodstraf voor oproerkraaiers. Het vonnis werd voltrokken op een heuvel die Golgotha (Aramees voor ‘Schedelplaats’) heette. Met Jesus werden ook twee misdadigers gekruisigd. Boven zijn hoofd bevestigde men een bordje met de tekst: 'Iesus Nazarenus Rex Iudaeorum' (Jesus van Nazareth, koning der joden), op veel schilderijen weergegeven als 'INRI'.

Zijn doodsstrijd duurde zes uur, van 's ochtends negen tot 's middags drie uur (in die tijd heette dat het derde tot het negende uur van de dag). Jesus uitte tijdens die zes uren verschillende zogenaamde kruiswoorden. Omstreeks het middaguur 'viel er duisternis over het hele land, die drie uur aanhield' (Matt. 27:45). Toen Jesus na het uiten van "Het is volbracht" stierf en de geest gaf, vond een aardbeving plaats, die alleen door de evangelist Matteüs vermeld wordt, waarbij 'de graven werden geopend en de lichamen van veel gestorven heiligen tot leven werden gewekt' (Matt.27:52). Ook scheurde het 'voorhangsel', het afscheidingsgordijn tussen het Heilige en het Heilige der Heiligen' in de tempel, middendoor, van boven naar beneden. Het van windsels en kruiden voorziene, maar nog niet gebalsemde lichaam van Jesus, werd begraven in een ongebruikt privégraf van de rijke Jozef van Arimathea. Een zware grafsteen werd ervoor gerold en de steen werd verzegeld. De joodse Raad verzocht en kreeg een wacht bij het graf, omdat men vreesde dat de volgelingen van Jesus zijn lichaam zouden stelen om te kunnen beweren dat hij was opgestaan uit de dood.

Opstanding van Jesus en hemelvaart[kenki | brontekst bewerken]

De derde dag na zijn dood ontdekten enkele voorzichtig teruggekeerde discipelen, onder wie een paar vrouwen (onder wie Maria Magdalena en nog een andere Maria) die wilden kijken of ze hem mochten balsemen, dat de grote steen was weggerold, de wachten verdwenen en het lichaam, met achterlating van de keurig opgerolde linnen lijkwindsels, onvindbaar. Zowel in de evangeliën als in enkele van de brieven in het Nieuwe Testament wordt gewag gemaakt van verschijningen van Jesus aan een groot aantal (ten minste vijfhonderd) volgelingen, en van gesprekken en een laatste maaltijd met zijn discipelen.

Bij die laatste maaltijd, aan de oever van het Meer van Galilea, rehabiliteerde hij Petrus, die tijdens de rechtszaak, uit angst, tot driemaal toe omstanders had verzekerd Jesus niet te kennen. Daarna nam hij afscheid. Jesus gaf zijn discipelen de opdracht zijn blijde boodschap van vergeving van zonden door zijn dood en opstanding, waarmee een nieuw verbond tussen God en mens tot stand was gekomen, over de gehele wereld te verspreiden; en hij beloofde hen dat hij terug zou komen (de 'Wederkomst'). Vervolgens voer hij op naar de hemel (de 'Hemelvaart').

Jesus heeft zijn dood en opstanding zelf meerdere malen voorzegd en het is gebeurd, precies zoals hij gezegd heeft (Lucas 18:31-33).

Namen en titels voor Jesus in de Bijbel[kenki | brontekst bewerken]

Een naam waarmee Jesus in de Bijbel wordt aangeduid is Immanuel (Hebreeuws voor God met ons). In de proloog van het Bijbelboek Het Evangelie volgens Johannes, in het Nieuwe Testament, wordt hij metaforisch voorgesteld als de Logos, het Woord, waarmee tevens de scheppingskracht van God wordt bedoeld: "In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. (...) Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond." Het Oude Testament, met name het boek Jesaja, bevat verschillende profetische gedeelten waarvan veel christenen menen dat ze op Jesus betrekking hebben. Daarin wordt hij onder meer 'de dienaar van de HEER' genoemd. Ook worden in het Oude Testament de geboorte, geboorteplaats (Bethlehem), en afkomst (stam van Juda, Davidische lijn) van de messias voorspeld. Christenen betrekken de beschreven titel 'Leeuw van Juda' op Jesus. Voorts wordt Jesus de Zoon van God genoemd en dikwijls ook aangeduid als Mensenzoon. Wat van het allergrootste belang is, is de benaming dat Jesus het Lam van God is, dat de zonden van de wereld wegneemt. Zelf heeft Jesus hier verscheidene malen op gewezen, en vlak voor zijn hemelvaart heeft Jesus zijn discipelen op het hart gedrukt dat in zijn naam aan de gehele wereld vergeving van zonden gepredikt moest worden. Het was de reden waarom hij zich liet kruisigen en eveneens waarom hij verrees uit de dood. Met deze titel Lam van God wordt in wezen gerefereerd aan het Pesach-lam.

Wat Jesus zelf zei over wie hij is[kenki | brontekst bewerken]

Jesus noemde zich nadrukkelijk 'de Zoon' (van de Vader) en ook vaak 'de Mensenzoon' (NBG-vertaling: 'Zoon des Mensen'). Hij zei dat hij door 'de Vader' gezonden was en dat hij alleen dat zei en deed 'wat hij de Vader had zien doen'; daarmee gaf hij ten eerste letterlijk aan dat hij bij God vandaan naar de mensen was gekomen, ten tweede dat hij God de Vader goed kende en ten derde dat hij zijn missie niet op eigen initiatief was begonnen, maar dat hij gehoorzaam de taak uitvoerde die de Vader hem gegeven had. Ook zegt Jesus van zichzelf dat hij er was 'van voordat Abraham er was' (Joh. 8:58).

In het laatste Bijbelboek, de Openbaring, wordt een verschijning van Jesus beschreven, waarin hij zegt: 'Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde'. De vier evangeliën geven onder meer parabels weer, waarin Jesus nog veel meer "Ik ben"-functies op zichzelf betrekt, zoals: "Ik ben de ware wijnstok"; "Ik ben de deur"; "Ik ben de goede herder"; "Ik ben het licht voor de wereld"; "Ik ben het brood dat leven geeft". Deze claims liet hij overigens nooit op zichzelf staan, maar hij koppelde er steevast een belofte aan vast. Bijvoorbeeld: "Ik ben het licht voor de wereld. Wie mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft licht dat leven geeft." Zijn missie vatte hij verder samen met de uitspraak: "Ik ben de weg, de waarheid en het leven, niemand komt tot de Vader dan door mij" en: "Ik en de Vader zijn een".

Veelzeggend is in dit kader dat toen hij gevangen was genomen, en door de joodse Hoge Raad, het sanhedrin, werd ondervraagd, hij op de vraag van de hogepriester of hij de Messias, de Zoon van God was, het antwoord gaf: "‘U zegt het. Maar ik zeg tegen u allen hier: vanaf nu zult u de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Machtige en hem zien komen op de wolken van de hemel.’" (Matteüs 26:64). Deze woorden waren voor de hogepriester en de andere aanwezige leden van het sanhedrin voldoende om hem te beschuldigen van godslastering en hem ter dood te veroordelen. Voor een jood was namelijk het zichzelf gelijkstellen aan God de grootst mogelijke zonde en hierop stond de doodstraf.

In de drie jaar van zijn publieke optreden in Galilea en Judea, waarschuwde hij zijn vaste kern volgelingen regelmatig voor de naderende apotheose, en het onvermijdelijke afscheid. Meerdere keren voorspelde hij zijn eigen lijden, dood en opstanding. Hiermee gaf hij aan vrijwillig te kiezen voor het gehoorzamen van de opdracht van de Vader om deze verloren wereld te redden. Dit komt dramatisch tot uiting in de hof van Getsemane, waar Jesus in doodsangst zichzelf vrijwillig overgeeft: "Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan mij voorbijgaan! Maar laat het niet gebeuren zoals ik het wil, maar zoals u het wilt."

Hij zei terug te zullen keren naar 'de Vader', vanwaar hij de gelovigen zou blijven bijstaan. Hij beloofde daarbij dat zijn volgelingen de 'Heilige Geest' zouden ontvangen om hen verder te leiden op 'de weg'. Ook beloofde hij zijn terugkeer naar de aarde, op een tijdstip dat 'de Vader' zou bepalen, al gaf hij wel duidelijke kenmerken van de tijd voor zijn terugkomst: geloofsafval, liefde die verkilt, veel oorlogen en burgeroorlogen, veel epidemieën en hongersnoden, veel aardbevingen, etc. Vlak voor zijn hemelvaart benadrukte Jesus bij zijn discipelen het belang dat zijn boodschap van verlossing en bevrijding door vergeving van zonden, aan de gehele wereld bekend zou worden gemaakt.

Het uiterlijk van Jesus[kenki | brontekst bewerken]

In het Nieuwe Testament wordt nergens gesproken over het uiterlijk van Jesus. Alleen dat hij opgroeide tot een krachtige jongeman. Hij was dus zeker goed gezond van lijf en leden. Onder de joden is het verboden om portretten te maken en zo zijn er ook onder de eerste christenen, die veelal nog bekeerde joden waren, geen overgeleverd. In de vroege christelijke kunst, in de catacomben e.d., wordt hij vaak afgebeeld als 'de goede herder' met een gladgeschoren gezicht. Dit was echter niet gebruikelijk onder joodse mannen rond de eerste eeuw. Ook andere variaties van Jesus' uiterlijk uit die eerste eeuwen zijn bekend. Vanaf ongeveer de 6e eeuw komt er een soort standaardisatie van de portrettering van Jesus tot stand en verschijnt de Jesus die tegenwoordig nog meestal wordt afgebeeld: een Europees uitziende man met volle baard en snor met halflange haren. Naar de huidige inzichten van historici droegen joodse mannen rond de eerste eeuw zo inderdaad vaak hun haar en baard. Voor degenen die de lijkwade van Turijn als authentiek beschouwen, geeft de daarop aanwezige afbeelding een Jezus weer die tamelijk lang was voor die tijd (tussen 180 en 190 cm) en krachtig gebouwd. Het gezicht lijkt veel op het traditionele Jesusportret. Of Jesus er werkelijk zo heeft uitgezien is onmogelijk na te gaan.